DGA Roadshow voorjaar 2017

Graag nodigen wij u uit voor de DGA Pensioen Roadshow !

 

 

  • Pensioen Roadshow Najaar 2017

    Onze pensioen kennissessie, waarbij de laatste pensioenactualiteiten en actuele fiscaliteiten  aan de orde komen, specifiek gericht op werkgevers en Directeuren Groot Aandeelhouders, georganiseerd voor accountantsrelaties van Finact Software, DGA Software (www.dgasoftware.nl) , PPN en Pensioendesk Nederland.

    Wederom uiterst actueel en helemaal toegespitst op uw adviespraktijk!

    Per 1 juli is het niet langer toegestaan om pensioen in eigen beheer actief uit te voeren. De afgelopen maanden heeft de belastingdienst handreikingen en vraag- en antwoordbesluiten gepubliceerd. Heeft dit invloed om de keuzemogelijkheden? Reden om versneld om te zetten of af te kopen? En wat te doen met de DGA-pensioenpolissen? Wij gaan dit uitgebreid met u bespreken.

    De ODV-wetgeving is verre van compleet. Verschillende praktijkvragen en toepassingen komen tijdens deze sessie aan bod.

    Verder wordt vanaf 1 januari 2018 de pensioenrichtleeftijd 68. Wij vertellen u alle ‘ins and outs’ en laten zien wat de kansen en dilemma’s zijn voor werkgevers, OR en werknemers.

    Over deze vraagstukken én andere ontwikkelingen op het gebied van eenzijdig wijzigen en wordt u volledig bijgepraat en krijgt u van ons praktische handvatten aangereikt waarmee u in staat wordt gesteld uw relaties perfect te informeren en te adviseren.

    Uw inleider(s)

    De cursus wordt op 5 locaties verzorgd door o.a.  Drs. Aloys Harmsen (DGA specialist en associate partner Finact Software), Mevr. Drs. Rosemarie van der Velden MPLA (DGA specialist Jansen en Partners) , Dhr. David Harpe BPLA (pensioenspecialist Finact Software) en Mr. Paul Lavrijssen (Aegon Levensverzekering NV).

    Programma

    • Handreiking en ontwikkelingen pensioen eigen beheer
    • Vraag en antwoordbesluiten in de praktijk
    • ODV-overeenkomsten
    • Pensioenleeftijd 68
    • BPF-pensioenverplichtingen in de praktijk

     

    Investering

    Voor slechts € 129,- excl. BTW bieden wij u een interactieve, praktijkgerichte middagsessie inclusief 3 PE-punten.

    (De voorjaarsbijeenkomsten zijn gemiddeld gewaardeerd op een 8,3!)

     

    Meld u hier aan

  • Vaknieuws Oktober 2017

    Oprenting oudedagsverplichting (Vraag & Antwoord 17-027 d.d. 290917)

    Inleiding
    Op grond van artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is het vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 mogelijk het volledige in eigen beheer verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Op het moment van de afkoop of omzetting mag de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak fiscaal geruisloos worden prijsgegeven voor zover de waarde in het economische verkeer van die aanspraak hoger is dan de fiscale balanswaarde van de tegenover die aanspraak staande pensioenverplichting.

    Vraag
    Een dga heeft per 1 juli 2017 de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak met toepassing van artikel 38n Wet LB gedeeltelijk prijsgegeven en omgezet in een ODV. Op grond van artikel 38p, eerste lid, Wet LB dient de ODV jaarlijks met een marktrente opgerent te worden.

    Hoe verloopt de oprenting van de ODV in de volgende drie situaties:

    • in de uitstelfase (de uitkeringen van de ODV zijn nog niet ingegaan);
    • in het jaar dat de ODV voor het eerst tot uitkering komt;
    • in de uitkeringsfase?

     Hoe kan voor het bepalen van de fiscale winst rekening worden gehouden met de oprenting van de ODV?

    Antwoord
    Ten aanzien van de oprenting van een ODV geldt over het algemeen het volgende:

    • De ODV wordt jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente. De voor de ODV te gebruiken marktrente is opgenomen in artikel 12.3a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB);
    • In de uitstelfase (de uitkeringen zijn nog niet ingegaan) wordt de ODV steeds nadat een jaar is verstreken opgerent. Het is in de uitstelfase echter ook mogelijk steeds aan het eind van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam op te renten. Indien de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak in de loop van het boekjaar wordt omgezet in een ODV-aanspraak, zal bij oprenting van de ODV aan het eind van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam de eerste oprentingsperiode korter zijn dan twaalf maanden;
    • Wanneer de oprentingsperiode in twee kalenderjaren valt, wordt het oprentingspercentage bepaald op het gewogen gemiddelde van de percentages in de URLB voor de betreffende kalenderjaren;
    • In het jaar waarin de ODV-termijnen ingaan, wordt de ODV, voorafgaand aan de vaststelling van de omvang van de eerste termijn, tot de ingangsdatum opgerent;
    • Nadat de ODV-termijnen zijn ingegaan, wordt de ODV steeds na verloop van één jaar opgerent. De grondslag voor oprenting is het bedrag van de ODV nadat daarop de vervallen termijn (en) in mindering is (zijn) gebracht.

     

    Hieronder wordt een en ander verduidelijkt aan de hand van een aantal voorbeelden per geschetste situatie.

    Voorbeelden oprenting ODV in de uitstelfase

    Oprenten ODV op omzettingsverjaardag (de dag waarop precies één, twee of n jaar is verstreken na omzetten van het pensioen in eigen beheer in een ODV)

    • De in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak is op 1 juli 2017 met toepassing van artikel 38n Wet LB gedeeltelijk prijsgegeven en omgezet in een ODV;
    • De oprenting van het ODV-saldo (vóór ingang van de ODV-termijnen) vindt plaats op de omzettingsverjaardag: 1 juli.

     

    Ingeval de ODV-termijnen nog niet zijn ingegaan, vindt de eerste oprenting van de ODV plaats op 1 juli 2018. Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2017 en het voor 2018 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2016 respectievelijk 2017).

    Oprenten ODV per balansdatum van het eigenbeheerlichaam

    • De in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak is op 1 juli 2017 met toepassing van artikel 38n Wet LB gedeeltelijk prijsgegeven en omgezet in een ODV;
    • Het boekjaar van het eigenbeheerlichaam loopt van 1 januari tot en met 31 december.

     

    De eerste (tijdsevenredige) oprenting van de ODV vindt plaats op 31 december 2017. Het oprentingspercentage is het in artikel 12.3a URLB voor 2017 opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2016).

    Voorbeelden oprenting ODV in het jaar waarin de ODV voor het eerst tot uitkering komt

    Oprenten ODV per omzettingsverjaardag

    • De oprenting van het ODV-saldo heeft in de uitstelfase steeds plaatsgevonden op de omzettingsverjaardag, zijnde 1 juli;
    • De ODV-termijnen gaan op 1 maart 2019 in.

     

    Bij ingang van de ODV-termijnen moet het ODV-saldo eerst worden opgerent voor de sinds de laatste omzettingsverjaardag verstreken periode (1 juli 2018 tot 1 maart 2019). Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2018 en het voor 2019 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2017 respectievelijk 2018).

    Oprenten ODV per balansdatum van het eigenbeheerlichaam

    • De oprenting van het ODV-saldo heeft in de uitstelfase steeds plaatsgevonden per einde van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam, zijnde 31 december;
    • De ODV-termijnen gaan op 1 maart 2019 in.

     

    Bij ingang van de ODV-termijnen moet het ODV-saldo eerst worden opgerent voor de in het lopende boekjaar verstreken periode (1 januari 2019 tot 1 maart 2019). Het oprentingspercentage is het voor 2019 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2018).

    Voorbeeld oprenting ODV in de uitkeringsfase
    In de uitkeringsfase dient het resterende ODV-saldo jaarlijks op de uitkeringsverjaardag te worden opgerent. Met de uitkeringsverjaardag wordt bedoeld de dag waarop het telkens precies één, twee of n jaar na ingang van de ODV-termijnen is. Deze wijze van oprenting volgt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (kamerstukken 34 555, nr. 3, p. 37).

    Ingeval de ODV-uitkeringsverjaardag niet op 1 januari ligt, zullen voor de oprenting van het ODV-saldo op de uitkeringsverjaardag twee marktrentepercentages gehanteerd moeten worden.

    Stel de ODV uitkeringsverjaardag is 1 maart. De ODV is in 2019 ingegaan. Op 1 maart 2020 (= de eerste ODV-uitkeringsverjaardag) moet het resterende ODV-saldo worden opgerent. Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2019 en het voor 2020 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2018 respectievelijk 2019). De grondslag voor de oprenting is de stand van de ODV per 1 maart 2019 minus de na die datum vervallen termijnen.

    Oprenting ODV en fiscale winstberekening
    Hetgeen hiervoor over de oprenting is opgenomen, betreft de toepassing van de bepalingen van de Wet LB. Het eigenbeheerlichaam moet bij het bepalen van de fiscale winst, de lasten van de jaarlijkse oprenting van de ODV op basis van goed koopmansgebruik toerekenen aan het boekjaar waarop de oprenting betrekking heeft. Wanneer de oprenting niet op (fiscale) balansdatum plaatsvindt, kan het deel van de eerstvolgende oprenting dat betrekking heeft op de periode tot (fiscale) balansdatum, bij het bepalen van de fiscale winst van het betreffende boekjaar in aanmerking worden genomen door op de fiscale eindbalans een transitorische passiefpost op te nemen.

  • Vaknieuws September 2017

    Voorlopige aangepaste premiestaffels bij pensioenrichtleeftijd van 68 jaar (Vraag & Antwoord 17-002 d.d. 290917)

    Inleiding
    In artikel 18a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst na het invoeren van de maatregelen van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen) is bepaald dat de in artikel 18a, zesde lid, Wet LB genoemde pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd afhankelijk van de door het CBS vast te stellen ontwikkeling van de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd. In artikel II, onderdeel B, van het besluit van 21 december 2016 tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen (Staatsblad 2016-549) is aangegeven dat de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 zal worden verhoogd naar 68 jaar.

    Vraag
    Wat is het effect van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 voor de door de Staatssecretaris van Financiën in het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168, Staatscourant 2017, nr. 4421 in de bijlagen I, IV en VII gepubliceerde premiestaffels?

    Antwoord
    Nu de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 wordt verhoogd naar 68 jaar, zijn nieuwe premiestaffels nodig. De premiepercentages van de staffels moeten per 1 januari 2018 worden aangepast aan het premiebedrag dat nodig is voor een ouderdomspensioen met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar. De per 1 januari 2018 te gebruiken aangepaste premiestaffels zullen naar verwachting in de loop van 2017 in een beleidsbesluit worden gepubliceerd.

    Er is nu nog geen beleidsbesluit met aan de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar aangepaste premiestaffels gepubliceerd. Dit blijkt voor pensioenuitvoerders een knelpunt op te leveren voor het per 1 januari 2018 kunnen doorvoeren van de verhoogde pensioenrichtleeftijd. Daarom zijn in dit Vraag & Antwoord voorlopige aangepaste premiestaffels opgenomen die waarschijnlijk in de loop van 2017 in een beleidsbesluit gepubliceerd zullen worden.

    Voorlopige staffels
    De omvang van de aangepaste premiestaffels staat nog niet definitief vast. De aangepaste premiestaffels voor een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar zijn berekend op basis van de huidige fiscale pensioenregels. Eventuele andere per 1 januari 2018 door te voeren wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen tot gevolg hebben dat de premiestaffels nader aangepast moeten worden.

    Hierna zijn de voorlopige aangepaste premiestaffels opgenomen. De aangepaste premiestaffels zijn berekend op basis van de meest recente overlevingstafels GBM/GBV 2011/2016. De overige rekengrondslagen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de in het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 gehanteerde rekengrondslagen.

    VOORLOPIGE AANGEPASTE PREMIESTAFFELS PER 1 JANUARI 2018

     

      1. Voorlopige premiestaffels per 1 januari 2018 voor de toepassing van de aanwijzing als bedoeld in onderdeel 3.3 van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168

         

        Volgens de huidige vooruitzichten zullen deze premiestaffels per 1 januari 2018 de staffels van bijlage I van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 vervangen. De definitieve aangepaste premiestaffels zullen bij beleidsbesluit worden vastgesteld.

        Tabel 1

        Leeftijdsklassen tot 68 jaar

        Percentage van de pensioengrondslag
        (opbouw gericht op 1,875% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

         

        OP

        OP en uitgesteld
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        bereikbaar PP

        15 tot en met 19

        3,2

        3,9

        4,4

        4,6

        20 tot en met 24

        3,7

        4,4

        5,1

        5,4

        25 tot en met 29

        4,5

        5,4

        6,1

        6,6

        30 tot en met 34

        5,5

        6,6

        7,4

        7,8

        35 tot en met 39

        6,7

        8,0

        8,9

        9,4

        40 tot en met 44

        8,2

        9,8

        10,7

        11,3

        45 tot en met 49

        10,0

        11,9

        13,0

        13,6

        50 tot en met 54

        12,2

        14,6

        15,7

        16,4

        55 tot en met 59

        15,0

        18,0

        19,0

        19,8

        60 tot en met 64

        18,6

        22,4

        23,1

        23,7

        65 tot en met 67

        22,3

        26,8

        27,2

        27,3

        Tabel 2

         

        Leeftijdsklassen tot 68 jaar

        Percentage van de pensioengrondslag
        (opbouw gericht op 1,701% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

         

        OP

        OP en uitgesteld
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        bereikbaar PP

        15 tot en met 19

        2,9

        3,5

        4,0

        4,2

        20 tot en met 24

        3,4

        4,0

        4,6

        4,9

        25 tot en met 29

        4,1

        4,9

        5,5

        6,0

        30 tot en met 34

        5,0

        6,0

        6,7

        7,1

        35 tot en met 39

        6,1

        7,3

        8,1

        8,5

        40 tot en met 44

        7,4

        8,9

        9,8

        10,2

        45 tot en met 49

        9,1

        10,8

        11,8

        12,3

        50 tot en met 54

        11,1

        13,2

        14,3

        14,9

        55 tot en met 59

        13,6

        16,3

        17,3

        18,0

        60 tot en met 64

        16,9

        20,3

        21,0

        21,5

        65 tot en met 67

        20,3

        24,4

        24,7

        24,8

        Tabel 3

        Leeftijdsklassen tot 68 jaar

        Percentage van de pensioengrondslag
        (opbouw gericht op 1,788% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

         

        OP

        OP en uitgesteld
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        bereikbaar PP

        15 tot en met 19

        3,1

        3,7

        4,2

        4,4

        20 tot en met 24

        3,5

        4,2

        4,8

        5,1

        25 tot en met 29

        4,3

        5,1

        5,8

        6,3

        30 tot en met 34

        5,3

        6,3

        7,0

        7,5

        35 tot en met 39

        6,4

        7,6

        8,5

        8,9

        40 tot en met 44

        7,8

        9,3

        10,2

        10,7

        45 tot en met 49

        9,5

        11,4

        12,4

        13,0

        50 tot en met 54

        11,6

        13,9

        15,0

        15,7

        55 tot en met 59

        14,3

        17,2

        18,2

        18,9

        60 tot en met 64

        17,8

        21,3

        22,1

        22,6

        65 tot en met 67

        21,3

        25,6

        25,9

        26,1

     

     

      1. Voorlopige premiestaffels per 1 januari 2018 voor de toepassing van de aanwijzing als bedoeld in onderdeel 6.1 van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168

         

        Volgens de huidige vooruitzichten zullen deze premiestaffels per 1 januari 2018 de staffels van bijlage IV van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 vervangen. De definitieve aangepaste premiestaffels zullen bij beleidsbesluit worden vastgesteld.

        Tabel 1

        Leeftijdsklassen tot 68 jaar

        Percentage van de pensioengrondslag
        (opbouw gericht op 1,875% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

         

        OP

        OP en uitgesteld
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        bereikbaar PP

        15 tot en met 19

        5,7

        6,9

        7,8

        8,0

        20 tot en met 24

        6,3

        7,7

        8,7

        9,1

        25 tot en met 29

        7,3

        8,9

        10,0

        10,5

        30 tot en met 34

        8,5

        10,4

        11,5

        12,1

        35 tot en met 39

        9,9

        12,0

        13,3

        13,8

        40 tot en met 44

        11,5

        14,0

        15,3

        15,9

        45 tot en met 49

        13,4

        16,3

        17,7

        18,4

        50 tot en met 54

        15,6

        19,0

        20,4

        21,2

        55 tot en met 59

        18,3

        22,3

        23,6

        24,5

        60 tot en met 64

        21,7

        26,5

        27,4

        28,1

        65 tot en met 67

        25,0

        30,6

        31,0

        31,2

        Tabel 2

         

        Leeftijdsklassen tot 68 jaar

        Percentage van de pensioengrondslag
        (opbouw gericht op 1,701% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

         

        OP

        OP en uitgesteld
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        bereikbaar PP

        15 tot en met 19

        5,2

        6,3

        7,1

        7,3

        20 tot en met 24

        5,7

        7,0

        7,9

        8,2

        25 tot en met 29

        6,7

        8,1

        9,1

        9,6

        30 tot en met 34

        7,7

        9,4

        10,4

        11,0

        35 tot en met 39

        9,0

        10,9

        12,0

        12,6

        40 tot en met 44

        10,4

        12,7

        13,9

        14,5

        45 tot en met 49

        12,1

        14,8

        16,0

        16,7

        50 tot en met 54

        14,2

        17,3

        18,5

        19,3

        55 tot en met 59

        16,6

        20,3

        21,4

        22,2

        60 tot en met 64

        19,7

        24,0

        24,8

        25,5

        65 tot en met 67

        22,7

        27,8

        28,1

        28,3

        Tabel 3

        Leeftijdsklassen tot 68 jaar

        Percentage van de pensioengrondslag
        (opbouw gericht op 1,788% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

         

        OP

        OP en uitgesteld
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        opgebouwd PP

        OP en direct
        ingaand
        bereikbaar PP

        15 tot en met 19

        5,4

        6,6

        7,5

        7,7

        20 tot en met 24

        6,0

        7,3

        8,3

        8,6

        25 tot en met 29

        7,0

        8,5

        9,5

        10,1

        30 tot en met 34

        8,1

        9,9

        11,0

        11,5

        35 tot en met 39

        9,4

        11,5

        12,7

        13,2

        40 tot en met 44

        11,0

        13,3

        14,6

        15,2

        45 tot en met 49

        12,8

        15,5

        16,9

        17,5

        50 tot en met 54

        14,9

        18,1

        19,5

        20,2

        55 tot en met 59

        17,5

        21,3

        22,5

        23,4

        60 tot en met 64

        20,7

        25,2

        26,1

        26,8

        65 tot en met 67

        23,9

        29,2

        29,6

        29,7

     

    1. Voorlopige premiestaffels per 1 januari 2018 voor de toepassing van de aanwijzingen als bedoeld in onderdeel 8 van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168

       

      Volgens de huidige vooruitzichten zullen deze premiestaffels voor nettopensioenregelingen per 1 januari 2018 de staffels van bijlage VII van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 vervangen. De definitieve aangepaste premiestaffels zullen bij beleidsbesluit worden vastgesteld.

      1. Premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag nettopensioenregeling

       

      15 tot en met 19

       

      2,2

      20 tot en met 24

      2,6

       

      25 tot en met 29

       

      3,2

      30 tot en met 34

      3,7

       

      35 tot en met 39

       

      4,5

      40 tot en met 44

      5,4

       

      45 tot en met 49

       

      6,5

      50 tot en met 54

      7,9

       

      55 tot en met 59

       

      9,5

      60 tot en met 64

      11,4

       

      65 tot en met 67

       

      13,1

       

      2. Premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag nettopensioenregeling

       

      15 tot en met 19

       

      3,8

      20 tot en met 24

      4,4

       

      25 tot en met 29

       

      5,0

      30 tot en met 34

      5,8

       

      35 tot en met 39

       

      6,6

      40 tot en met 44

      7,6

       

      45 tot en met 49

       

      8,8

      50 tot en met 54

      10,2

       

      55 tot en met 59

       

      11,8

      60 tot en met 64

      13,5

       

      65 tot en met 67

       

      15,0

  • Vaknieuws Augustus 2017

    Algemene informatie instemmingsrecht OR


    De ondernemingsraad (OR) kan instemmingsrecht hebben op de arbeidsvoorwaarde pensioen. Er zijn ook situaties waarin dat niet het geval is. Het is van belang om per pensioenregeling (of onderdeel daarvan) te controleren welke van de onderstaande situaties zich mogelijk voordoet.

    Instemmingsrecht OR
    De OR heeft op grond van artikel 27 Wet op de ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht op de arbeidsvoorwaarde pensioen wanneer het gaat om een voorgenomen besluit van de ondernemer (hierna: werkgever) tot vaststelling, wijziging of intrekking van regelingen op grond van een pensioenovereenkomst Instemmingsrecht OR pensioen toelichting. Enkele elementen worden hieronder uitgelicht:

    • Instemmingsrecht: het instemmingsrecht van artikel 27 WOR gaat over besluiten waarbij de werkgever de instemming van de OR nodig heeft voordat hij ze kan nemen;
    • Voorgenomen besluit van de werkgever: de instemming is alleen vereist voor besluiten die de werkgever zelf kan en wil nemen. De werkgever kan besluiten over pensioenregelingen of onderdelen daarvan nemen, wanneer hij daarover zeggenschap, dus keuzevrijheid, heeft;
    • Besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking: de OR heeft instemmingsrecht bij voorgenomen besluiten van de werkgever die de arbeidsvoorwaarde pensioen raken. Denk aan het vaststellen, wijzigen of intrekken van pensioenregelingen of onderdelen daarvan. Hiertoe behoort ook een voorgenomen keuze van de werkgever voor een pensioenuitvoerder. Voorwaarde is dat de werkgever keuzevrijheid heeft;
    • Regelingen o.g.v. een pensioenovereenkomst: het instemmingsrecht ziet op zaken die het pensioenresultaat kunnen beïnvloeden en dus de arbeidsvoorwaarde pensioen. Deze zaken zijn in de eerste plaats geregeld in de pensioenovereenkomst, maar ook in de uitvoeringsovereenkomst kunnen afspraken staan die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst Instemmingsrecht OR pensioen toelichting. Het instemmingsrecht ziet dan op vaststelling, wijziging of intrekking van de regeling zelf, niet op de uitvoeringsbesluiten die genomen worden op basis van de regeling. Bijvoorbeeld, de OR heeft instemmingsrecht bij wijziging van de systematiek van
      premievaststelling, maar geen instemmingsrecht bij de premievaststelling zelf;
    • Algemene strekking: het instemmingsrecht is niet van toepassing op individuele regelingen Beperking instemmingsrecht OR


    Het onderhandelen over de arbeidsvoorwaarde pensioen is in beginsel voorbehouden aan sociale partners, dat wil zeggen werkgevers- en werknemersorganisaties. Zo kunnen brancheorganisaties en vakbonden of beroepsorganisaties in cao’s afspraken maken over de arbeidsvoorwaarde pensioen en kunnen pensioenregelingen sluiten op bedrijfstakniveau en op ondernemingsniveau. Ten aanzien van de onderdelen die in een cao of in dit soort pensioenregelingen uitputtend geregeld zijn, heeft de werkgever géén zeggenschap en de OR dus ook geen instemmingsrecht.


    Bedrijfstakpensioenfonds
    Wanneer sprake is van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, heeft de individuele werkgever géén zeggenschap en/of keuzevrijheid ten aanzien van de verplichtgestelde pensioenregelingen en de OR dus geen medezeggenschap.
    Let wel: Wanneer een onderneming vrijwillig wil deelnemen aan een (verplichtgesteld) Bpf, is het voorgenomen besluit van de werkgever om vrijwillig deel te nemen instemmingsplichtig.
    Hetzelfde geldt voor het voorgenomen besluit om niet langer deel te nemen. Maar gedurende de tijd dat de onderneming vrijwillig deelneemt in een verplichtgesteld Bpf, heeft de werkgever – op de onderdelen waar de bedrijfstakpensioenfondsregeling géén keuzevrijheid biedt - geen zeggenschap over de inhoud van de pensioenovereenkomst en wijzigingen daarin, en de OR dus géén medezeggenschap.

    CAO-bepalingen
    Wanneer sociale partners - werkgever(verenigingen) en vakbonden of beroepsorganisaties - in een cao afspraken vastleggen over de arbeidsvoorwaarde pensioen of onderdelen daarvan, kan dit het instemmingsrecht van de OR beperken, maar ook uitbreiden. Een CAO kan een bedrijfstak-cao zijn. Deze cao geldt voor alle ondernemingen in die bedrijfstak. Het kan ook gaan om een ondernemings-cao. Deze geldt voor de betreffende onderneming. In dit voorlichtingsdocument wordt onder CAO tevens verstaan een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.

    De volgende mogelijkheden doen zich voor:
    1. Uitputtende regeling: de cao regelt het betreffende onderdeel van een pensioenregeling uitputtend. Afwijking is niet mogelijk. De OR heeft geen instemmingsrecht;
    2. Inlijving: de cao bepaalt uitsluitend dat deelgenomen wordt in een met naam genoemd pensioenfonds. De besluiten over de inhoud van de pensioenregeling worden dan niet door de cao-partijen maar het pensioenfondsbestuur genomen. De OR heeft geen instemmingsrecht;
    3. Kaderstellend: de cao bevat een (kader)regeling voor het betreffende onderdeel van een pensioenregeling. De werkgever heeft de mogelijkheid (of de opdracht) om de regeling nader uit te werken. De OR heeft instemmingsrecht op de nadere uitwerking;
    4. Niets geregeld: de cao laat een aantal pensioenonderdelen ongeregeld en doorgaans ook onbenoemd. Denk bijvoorbeeld aan een excedentregeling of een nabestaandenregeling. De werkgever heeft de keuzevrijheid om een of meerdere van deze pensioenonderdelen zelf te regelen. Besluit de werkgever hiertoe, dan heeft de OR daarop instemmingsrecht.
    Uitbreiding instemmingsrecht OR
    De bevoegdheden van de OR – waaronder het instemmingsrecht – kunnen worden uitgebreid in een CAO of in een ondernemingsovereenkomst. Artikel 32 WOR beschrijft de wijze waarop dit kan.

    Uitbreiding CAO
    De uitbreiding van bevoegdheden kan via bepalingen in een cao. In een cao kan een kaderregeling opgenomen zijn (met de opdracht dat) die op ondernemingsniveau met de OR nader wordt uitgewerkt. Denk bijvoorbeeld aan een cao die een bandbreedte voor het opbouwpercentage bepaalt.


    Ondernemingsovereenkomst
    Uitbreiding van bevoegdheden van een OR kan ook via een schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en OR waarin zij nader gemaakte afspraken vastleggen. Denk bijvoorbeeld aan procedureafspraken, bijvoorbeeld hoe werkgever en OR samen vaststellen of een element uit een uitvoeringsovereenkomst instemmingsplichtig is.
    Of aan een afspraak dat de OR instemmingsrecht krijgt over onderwerpen die niet al in artikel 27 WOR staan. Of aan een afspraak over toepassing van de WOR, zoals een scholingsbudget.


    Informatierecht
    Een OR heeft recht op die informatie die hij redelijkerwijze nodig heeft om zijn taak goed te kunnen vervulling. In artikel 31 WOR en verder is geregeld welk soort informatie de werkgever sowieso aan de OR verstrekt en welk soort informatie hij verstrekt wanneer de OR daar om vraagt.
    Per 1 oktober 2016 is artikel 31f WOR toegevoegd. Dit artikel verplicht de werkgever om de OR zo spoedig mogelijk te informeren over elke voorgenomen vaststelling, wijziging, of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst. De werkgever moet dit uit zichzelf doen. Dit biedt de OR de mogelijkheid om te beoordelen of dit voornemen invloed heeft op de arbeidsvoorwaarde pensioen en de werkgever dus instemming moet vragen.
    Is de OR van oordeel dat een of meer uitvoeringsaspecten waarop de voorgenomen wijziging ziet, de arbeidsvoorwaarde pensioen raak(en)t, zal hij de werkgever tijdig moeten vragen om een instemmingsverzoek. Bij verschil van mening is het aan de OR om te stellen en te bewijzen dat het betreffende element uit de uitvoeringsovereenkomst de arbeidsvoorwaarde pensioen raakt.


    Sancties op besluiten zonder instemming
    Heeft de werkgever bij een voorgenomen besluit de OR om instemming gevraagd en heeft de OR instemming geweigerd, dan kan de werkgever aan de kantonrechter toestemming vragen om het voorgenomen besluit te nemen. De kantonrechter geeft alleen toestemming als de beslissing van de OR om geen instemming te verlenen onredelijk is of als het voorgenomen besluit van de werkgever wordt gevergd door zwaarwegende bedrijfsbelangen.
    Heeft de werkgever een instemmingsplichtig besluit genomen zonder dat hij van de OR instemming heeft gekregen en zonder dat hij toestemming heeft gekregen, dan kan de OR de nietigheid van het besluit inroepen. De OR moet de nietigheid schriftelijk inroepen.
    De OR dient dit te doen binnen een maand nadat de werkgever hen het besluit heeft meegedeeld of – als dat niet is gebeurd – binnen een maand nadat de OR gebleken is dat de werkgever uitvoering of toepassing geeft aan het besluit. Als de werkgever zijn besluit – ondanks het schriftelijke beroep van de OR op de nietigheid – toch uitvoert of toepast, kan de OR de kantonrechter vragen de werkgever te verbieden zijn besluit uit te voeren.

    Praktische tips
    Pensioenregelingen en het instemmingsrecht van de OR bij de arbeidsvoorwaarde pensioen is ingewikkelde materie. De Commissie Bevordering Medezeggenschap van de SER (CBM) heeft enkele praktische tips gepubliceerd ten behoeve van ondernemingsraden en werkgevers. Zie ook ‘Arbeidsvoorwaarde pensioen in een uitvoeringsovereenkomst’.


    1. Zorg voor informatie en transparantie over alle binnen de onderneming geldende regelingen op grond van een pensioenovereenkomst en gemaakte afspraken. Denk daarbij onder meer aan informatie over de inhoud van de arbeidsvoorwaarde pensioen; de documenten waarin deze is geregeld zoals pensioenovereenkomst, uitvoeringsovereenkomst, cao; de pensioenuitvoerder; afspraken tussen werkgever en OR.
    2. Voer tijdig de dialoog wanneer er onduidelijkheden zijn of ontstaan over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Denk daarbij onder meer aan onduidelijkheid over de vraag of een bepaald element uit een uitvoeringsovereenkomst wel of niet instemmingsplichtig is. Maak als werkgever en OR gezamenlijk vooraf afspraken hoe te handelen wanneer een onduidelijkheid ontstaat en leg deze afspraken schriftelijk vast.
    3. Volg voldoende scholing op dit gebied. Dat geldt zowel voor de werkgever als OR. Werkgever en OR zouden moeten zorgen dat zij tenminste voldoende basiskennis hebben om te kunnen onderscheiden welke besluiten gevolgen hebben op het pensioenresultaat en dus de arbeidsvoorwaarde pensioen. Leden van de OR hebben recht op scholing en vorming. De CBM beveelt zowel de OR als de werkgever aan om gebruik te maken van dit recht op scholing en vorming en verwijst naar haar Aanbeveling inzake de scholing en vorming van OR-leden van 21 december 2012.
    4. Schakel bij vraagstukken inzake pensioenregelingen tijdig een of meer deskundige(n) in. Dat kan zowel de werkgever als de OR doen. De OR kan een of meer deskundigen uitnodigen om een vergadering van de OR bij te wonen, wanneer hij dat voor de behandeling van een bepaald onderwerp (bijvoorbeeld pensioen) nodig acht. Ook kan een deskundige worden uitgenodigd om een schriftelijk advies uit te brengen.

    Daarnaast kan zowel de werkgever als de OR een of meer deskundigen uitnodigen om een overlegvergadering bij te wonen. De OR moet bij het inschakelen van een deskundige vooraf de werkgever in kennis stellen van de te maken kosten. Dit laatste is niet nodig wanneer de OR een vooraf met de werkgever vastgesteld budget heeft en de kosten hier binnen blijven.

  • Vaknieuws April 2017

    Pensioen en echtscheiding (DGA)

    Op 14 april 2017 heeft de Hoge Raad (HR:2017:693) een impactvolle uitspraak gedaan inzake afstorting ‘pensioen in eigen beheer’.

    De afstorting dient zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd.

    Dit brengt met zich dat indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de vereveningsgerechtigde af te storten, én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om de pensioenaanspraak van de vereveningsplichtige te dekken, het tekort in beginsel zal moeten worden gedeeld.

    Aanleiding

    Op grond van de Wet VPS heeft de echtgenoot in beginsel recht op verevening van de opgebouwde pensioenaanspraken. In geval van het pensioen van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) waarbij het pensioen binnen zijn of haar eigen B.V. heeft opgebouwd, is de vereveningsgerechtigde echtgenoot aangewezen op de betreffende vennootschap.

    Hoewel ook in dat geval sprake is van een rechtstreeks recht op uitbetaling, verkeert de ex-partner dan in een afhankelijke positie van de DGA en vennootschap.

    In 2007 heeft de Hoge Raad al beslist (HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658) dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, in het algemeen meebrengen dat afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak wenselijk is.

    De beantwoording van de vraag of in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt op de door de Hoge Raad geformuleerde afstortingsverplichting, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waarbij de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren, niet zonder meer aan die verplichting in de weg staat.

    Cassatie

    In cassatie geeft de vrouw onder meer aan dat het hof zich bij haar oordeel niet heeft gehouden aan het uitgangspunt dat afstorting van het aan de man toekomende deel van het pensioen in eigen beheer, niet ertoe mag leiden dat de aanspraken van partijen op dit pensioen niet in dezelfde mate verzekerd zijn. Zij wijst er in dit verband op dat zij heeft gesteld dat na afstorting onvoldoende middelen overblijven om haar aandeel in het pensioen te kunnen uitkeren.

    Uitspraak

    De Hoge Raad acht deze klacht gegrond en overweegt dat het wettelijke uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het opgebouwde pensioen, onverkort van toepassing is indien een afstortingsplicht bestaat.

    De afstorting dient dan ook zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel in dezelfde mate zijn verzekerd. In dit verband dient volgens de Hoge Raad tot uitgangspunt te worden genomen dat indien de vennootschap een pensioentoezegging doet, de vennootschap ook zorg dient te dragen dat zij deze te zijner tijd kan nakomen. Indien en voor zover de opbouw van het pensioen in eigen beheer plaatsvindt, dient de vennootschap daarom in beginsel over voldoende kapitaal daartoe te beschikken (in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen).

     

    Postrelationele solidariteit

    De Hoge Raad overweegt dat het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig art. 3 lid 1 WVPS leidt.

    Dit betekent dat er onderzoek moet plaatsvinden in de vennootschap aanwezige kapitaal toereikend is om zowel de pensioenaanspraak van de man als die van de vrouw af te storten.

    De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

     

     

     

     

     

  • Vaknieuws Maart 2017

    Aanpassing lijfrenteaftrek en OR-dotatie in 2018

    Op 21 december 2016 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd waarin een aantal wijzigingen in de belastingwetgeving worden doorgevoerd waaronder de aanpassingen omtrent lijfrenteaftrek en OR-dotatie. Het besluit is nader aangeduid als ‘eindejaarsbesluit 2017’.

    Achtergrond

    Sinds 2014 is de pensioenrichtleeftijd die gebruikt wordt voor het berekenen van de maximale fiscale pensioenopbouw in de tweede pijler, afhankelijk van de levensverwachting. Per 1 januari 2018 wordt daarom de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 68 jaar. Omdat de maximale opbouw van lijfrente en oudedagsreserve (OR-dotatie) is gekoppeld aan de fiscale opbouwruimte voor het tweede pijler pensioen wijzigt ook de lijfrente- en oudedagsreserveringsruimte per dezelfde datum.

    Lijfrentepremieaftrek verlaagd Artikel 3.127, zesde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat het premiepercentage voor de bepaling van de jaarruimte voor een lijfrente bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, wordt verlaagd met 0,5%-punt. Het premiepercentage in de formule voor de lijfrentepremieaftrek wordt dus verlaagd van 13,8% in 2017 naar 13,3% in 2018.
    De vermenigvuldigingsfactor voor de jaarlijkse pensioenaangroei (factor A) wordt verlaagd van 6,5 in 2017 naar 6,27 in 2018.
    De formule voor de berekening van de jaarruimte in 2017 en 2018 is dan als volgt:

    • jaarruimte 2017: 13,8% maal premiegrondslag -/- (6,50 maal factor A) -/- F
    • Jaarruimte 2018: 13,3% maal premiegrondslag -/- (6,27 maal factor A) -/- F
      F = de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar verminderd met de afname van de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar.

    Per saldo wordt de lijfrentepremieaftrek bij een gelijkblijvende premiegrondslag iets minder.

    Oudedagsreserve verlaagd

    De dotatieruimte wordt berekend op basis van het dotatiepercentage maal de winst. Op grond van artikel 3.68, vierde lid, Wet IB 2001 wordt het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve uit artikel 3.68, eerste lid, Wet IB 2001 bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, verlaagd met 0,36%-punt.
    Het dotatiepercentage wordt dus verlaagd van 9,8% in 2017 naar 9,44% in 2018. Bij een gelijkblijvende winst wordt dus de dotatieruimte en pensioenspaarmogelijkheden verlaagd.

  • Vaknieuws Februari 2017

     Medezeggenschap kleine ondernemingen

    Op 26 januari 2017 heeft de SER een ontwerpadvies uitgebracht over instemming en medezeggenschap bij pensioen in kleine ondernemingen. Dit zijn ondernemingen in de grootte van 10 tot 50 werknemers, waarbij geen Ondernemingsraad van toepassing is.


    In de praktijk wordt hiervoor wel, op verzoek van de werknemers, een zogenaamde ‘personeelsvertegenwoordiging’(PVT) ingesteld. Als er geen PVT is dan dient de werkgever tweemaal per jaar een personeelsvergadering te houden, waarbij er sprake is van zeer beperkte instemmingsrechten (gericht op de primaire arbeidsvoorwaarden).
    De huidige systematiek van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) wordt in stand gehouden en niet aangetast. Dit heeft te maken met de complexiteit van grote(re) pensioenregelingen en de administratieve lasten.

    Oordeel van de Raad
    Er zijn verschillende mogelijkheden om de medezeggenschap, dan wel invloed, van werknemers in kleine ondernemingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde ‘pensioen’ te versterken.
    Dit betreft:

    1. het bevorderen van bekendheid en naleving van de bestaande bevoegdheden en mogelijkheden van de personeelsvertegenwoordiging (PVT) en/of personeelsvergadering (PV) binnen en buiten de Wet op de ondernemingsraden (WOR), waaronder het adviesrecht (zonder beroep op de Ondernemingskamer);
    2. het versterken van enkele bevoegdheden van de PVT en/of PV binnen de WOR, te weten informatierecht, informatieplicht (die op werkgever rust) en initiatiefrecht ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen;
    3. het bevorderen van onafhankelijke en betaalbare informatievoorziening inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen.

    Naar het oordeel van de raad zou het specifiek toekennen van instemmingsrecht aan de PVT en/of PV voor de ‘arbeidsvoorwaarde pensioen’ in kleine ondernemingen het systeem van de WOR verstoren. Dit kan leiden tot kosten- en lastendrukverhoging alsmede ongewenste effecten.

    Informatieplicht
    Op dit moment zet de SER in op een soort informatieverplichting voor de werkgever richting werknemers. Zo ontstaat er een vorm van adviesrecht voor werknemers in kleine(re) ondernemingen.

    Onze opmerking
    Het is voor deze groep werkgevers verstandig om bij ingrijpende pensioenwijzingen en arbeidsvoorwaarden een personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering (tijdelijk) in te stellen. Aangezien ook de SER van mening is dat pensioentoezeggingen en wijzigingen in het bijzonder relatief complex zijn, is extra overleg en inzicht van essentieel belang

     

  • Vaknieuws Januari 2017

    Novelle Pensioen in eigen beheer

    Op maandag 23 januari is de novelle op de Wet uitfasering Pensioen in Eigen Beheer gepubliceerd. De novelle bevat een (voorwaardelijke) mogelijkheid tot aftrek van de lasten van de toekomstige indexatie van de pensioenaanspraken of van de pensioenuitkeringen, afhankelijk van de keuze afkoop op omzetting.

    Deze aanvulling is met name bedoeld voor pensioentoezeggingen op basis van ‘extern eigen beheer’.

      Lees meer………… 

     

    Uniform pensioenoverzicht 2017

    Staatssecretaris Klijnsma van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de UPO 2017 modellen officieel goedgekeurd en vastgelegd. Al veel eerder, op 1 juli 2015, is de Wet pensioencommunicatie geïntroduceerd maar wel met een gefaseerde invoer tot in 2017.

      Lees meer………… 

     

    Ongelijke strijd pensioenfondsen

    Steeds meer pensioenfondsen bevinden zich in zwaar weer. Media berichten regelmatig dat kortingen in 2017 niet uit te sluiten zijn. Daarnaast worstelen vooral de kleinere pensioenfondsen met hun voortbestaan. Het blijkt moeilijk om goede, deskundige bestuursleden te vinden die ook de tijd hebben om een pensioenfonds te besturen.

     

     

      Lees meer………… 

     

     

     

  • DGA Roadshow Voorjaar 2017

    Een pensioen kennissessie, waarbij de   laatste pensioenactualiteiten  en actuele fiscaliteiten  aan de orde komen, specifiek gericht op Directeuren Groot Aandeelhouders, georganiseerd voor accountantsrelaties van Finact Software, DGA Software (www.dgasoftware.nl) en Penisoendesk Nederland.

    Wederom uiterst actueel en helemaal toegespitst op uw adviespraktijk!

    Op 23 januari 2017 informeerde Staatssecretaris Wiebes de Kamer over de (definitieve) oplossing van de knelpunten bij het pensioen in eigen beheer.

    Is de pensioenklem werkelijk een probleem voor de DGA? Hoe gaat een mogelijke overgang van eigen beheer en wordt de DGA persoonlijk aansprakelijk voor de (toekomstige) verplichtingen? Afkoop tegen een aantrekkelijk tarief of toch belastingheffing uitstellen? En hoe zit het met bestaande (ingebouwde) verzekerde regelingen?

    De keuzes voor de zowel de DGA als zijn of haar (ex)partner met impactanalyses komen uitgebreid aan bod!

    Over deze vraagstukken en andere ontwikkelingen wordt u volledig bijgepraat en krijgt u van ons praktische handvatten aangereikt waarmee u in staat wordt gesteld uw relaties perfect te informeren en te adviseren.

    Uw inleider(s)

    De cursus wordt op 6 locaties verzorgd door o.a.  Drs. Aloys Harmsen (DGA specialist en associate partner Finact Software), Mevr. Drs. Rosemarie van der Velden MPLA (DGA specialist Jansen en Partners) en Dhr. Noach A.G. van Beusekom MPLA/©CFP (Directeur Pensioendesk Nederland).

    Programma

    • Knelpunten pensioen eigen beheer
    • Oplossingrichting afkoop pensioen in eigen beheer
    • Afschaffen eigen beheer en fiscaal/juridische gevolgen
    • Inbouw bestaande verzekerde regelingen in eigen beheer
    • Toekomst pensioen eigen beheer
    • Pensioenadvisering en jurisprudentie

    Locaties en data

    Dag             Datum                      Plaats           T ijdstip

    Dinsdag        14 maart 2017     Eindhoven     13.00- 16.00 uur

    Donderdag   16 maart 2017     Purmerend    13.00- 16.00 uur 

    Dinsdag        21 maart 2017     Breda            13.00- 16.00 uur 

    Donderdag    23 maart 2017    Amersfoort     13.00- 16.00 uur 

    Dinsdag        28 maart 2017     Arnhem         13.00- 16.00 uur 

    PE-punten

    Voor uw deelname aan de DGA Pensioen Roadshow ontvangt u als lid van:

    RB                3 PE punten

    NBA             eigen accreditatie o.b.v. bewijs van deelname

    NOB             eigen accreditatie o.b.v. bewijs van deelname

    De prijs per deelnemer bedraagt € 129,- (exclusief btw). 

    Aanmelden

    U kunt zich aanmelden via ons contactformulier. U ontvangt dan snel een deelnamebevestiging.

  • Vaknieuws November 2016

    Zorgen partnerpensioen in eigen beheer

    Bij SRA, RB en NOAB bestaan grote zorgen over de uitfasering van in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken. Volgens de organisaties staat de partnerproblematiek in de weg aan de beoogde uitfasering van het Pensioen in Eigen Beheer (PEB), schrijven zij in een brandbrief aan de Eerste Kamer.

      Lees meer………… 

     

    Aanpassingsdatum pensioen eigen beheer

    Kamerlid De Vries heeft tijdens het schriftelijk overleg van 10 november jl., gevraagd of de tijd tot 1 januari 2017 voldoende is om fatsoenlijk advies in winnen en de benodigde stappen te kunnen zetten.

    Naar aanleiding van de signalen uit het veld en uit de Tweede Kamer is staatssecretaris Wiebes  voornemens de directeur-grootaandeelhouder (DGA) op dit punt tegemoet te komen.

      Lees meer………… 

     

    Wijziging regels indexatiedepots

    Er komen nieuwe regels voor aparte indexatiedepots van pensioenfondsen

    Pensioenfondsen mogen aparte potjes aanhouden, onder andere voor indexatie van pensioenen. Sinds de invoering van de nieuwe financiële toezichtregels voor pensioenen vanaf 1 januari 2015 mogen fondsen niet meer indexeren dan hun financiële positie toelaat. Dat geldt normaal gesproken ook bij de inzet van depots. Om bepaalde arbeidsvoorwaardelijke afspraken over een wijziging van de pensioenregeling te vergemakkelijken, wordt nu onder strikte voorwaarden toegestaan dat fondsen tijdelijk extra indexatie uit een depot mogen verlenen.

     

     

      Lees meer………… 

     

     

     

  • Vaknieuws Oktober 2016

    Pensioenaftopping deeltijdarbeiders

    De staatssecretaris ziet geen reële mogelijkheden om op een andere wijze dan het hanteren van een deeltijdfactor te voorkomen dat iemand met meerdere deeltijddienstbetrekkingen in totaal over een hoger pensioengevend loon dan het maximum van € 101.519 pensioen kan opbouwen. Dat laat hij weten in een brief aan de Eerste Kamer.

      Lees meer………… 

     

    Controle handtekening partner

    Het gerechtshof Den Haag heeft op 26 juli 2016 een uitspraak gedaan in een door de pensioenpraktijk met belangstelling gevolgde zaak. De pensioenuitvoerder moet de echtheid van een handtekening van de partner controleren.

      Lees meer………… 

     

    Communicatie vrijwillige pensioenregeling

    Het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie hebben naar aanleiding van vragen van hun leden over Pensioen 1-2-3 overleg gevoerd met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De volgende onderwerpen zijn, in relatie tot artikel 45 en 46a van de Pensioenwet en Pensioen 1-2-3 besproken:


    Hoe artikel 45 van de Pensioenwet te interpreteren?

    Wanneer geldt artikel 46a?

      Lees meer………… 

     

     

     

  • Vaknieuws September 2016

    Aandachtspunten Pensioen 1-2-3

    De nieuwe wet Pensioencommunicatie trad per 1 juli 2016 in werking. Een belangrijke gedachte in die wet is dat pensioeninformatie gelaagd moet worden aangeboden. Daartoe is het idee ontwikkeld van het Pensioen 1-2-3. Na het lezen van laag 1 kent de deelnemer de belangrijkste elementen van zijn pensioen regeling. De deelnemer kan vervolgens zelf bepalen of hij meer wil weten. Hij kan voor meer details doorklikken naar laag 2 (pensioen in 30  minuten) of laag 3 met specifieke documenten over het pensioen. Per 1 juli 2016 moest elke pensioenorganisatie zijn eigen Pensioen 1-2-3 aanbieden. Wat is er in de praktijk tot nu toe gerealiseerd van dit concept van pensioeninformatie?

      Lees meer…………

     

     

    Zorgplicht blijft, ook na opzegging abonnement

    Op 18 augustus 2016 heeft het Kifid een uitspraak gedaan omtrent de opzegging door een klant van een abonnement dat gericht was op beheer. Naar aanleiding van deze uitspraak door het Kifid zijn veel vragen gerezen bij financieel dienstverleners. Onderstaand proberen wij u inzicht te geven in de richtlijnen met betrekking tot nazorg.

      Lees meer…………

     

     

    Afschaffen pensioen in eigen beheer

    Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) mag pensioen opbouwen in zijn eigen BV ('eigen beheer'). Het kabinet wil de verdere opbouw van pensioenaanspraken in eigen beheer vanaf 2017 niet langer toestaan. De reeds opgebouwde pensioenaanspraken blijven in stand maar er kan gekozen worden voor afstempeling, afkoop of voor omvorming naar een spaarvoorziening in de eigen BV.  

      Lees meer…………

     

    Nieuw pensioenstelsel, nieuw fiscaal kader

    Het Financieel Toetsingskader voor pensioenfondsen en het fiscale kader botsen met elkaar. En het fiscaal kader werkt ook de vernieuwing van het pensioenstelsel tegen. Dat constateerden wij al in een eerdere Pensioennieuws & Opinie. Onlangs stelden de auteurs van het Netsparpaper “De Fiscaliteit en Pensioen – Naar een Nieuw Fiscaal Pensioenkader?” een radicale ommezwaai in het fiscale kader voor. Ze stellen voor de fiscale norm te verleggen van uitkering naar premie. Dat sluit aan bij ons idee voor fiscale vereenvoudiging. Wij vinden dan ook dit voorstel serieuze overweging verdient. Het zou goed zijn als een nieuw kabinet het fiscale kader op de agenda zet van de voorbereidingen voor de overgang naar een nieuw pensioenstelsel.

      Lees meer…………

     

    Vaste daling variabele pensioenuitkering

    De Wet verbeterde premieregeling staat toe dat pensioenkapitaal wordt gebruikt voor de aankoop van een variabele pensioenuitkering. Daarbij biedt artikel 63a, derde lid van de Pensioenwet c.q. artikel 75a, derde lid van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de optie om de hoogte van de variabele pensioenuitkering te variëren door een uiterlijk op de ingangsdatum vastgestelde periodieke vaste daling.

      Lees meer…………

     

    Toelichting Wet Variabele pensioenuitkering

    De ‘Wet verbeterde premieregeling’ is net voor de zomervakantie aangenomen door de Eerste Kamer. Deze wet maakt het mogelijk om een pensioenkapitaal na pensioeningang voor risico van de pensioengerechtigde te blijven beleggen: de zogenaamde ‘variabele pensioenuitkering’.

      Lees meer…………

  • Vaknieuws Juli 2016

     Pensioen in eigen beheer op de schop

    De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Wiebes besloten de regeling Pensioen in Eigen Beheer (PEB) in zijn huidige vorm met een overgangstermijn van 3 jaar af te schaffen. DGA’s kunnen de pensioenregeling op een semi-aantrekkelijke manier afkopen, kiezen voor een spaarvariant (direct afstempelen) of laten staan op grond van de huidige wetgeving.

      Lees meer…………

     

     

     

     

  • Vaknieuws Juni 2016

     Kamerbrief Pensioen in eigen beheer uitgesteld

    Het lukt staatssecretaris Wiebes niet om binnen de gevraagde termijn zijn uiteindelijke keuze voor de oplossingsrichting voor het pensioen in eigen beheer bekend te maken, schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer.

     Lees meer…………

     

     

     

     

  • Vaknieuws Mei 2016

    Kwaliteit cliëntinventarisatie volgens AFM nog onvoldoende

    In 2015 heeft de AFM een onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de cliëntinventarisatie. De conclusie is dat deze nog niet op het door de AFM beoogde niveau (een score 4,0 of hoger) is.

      Lees meer…………

     

    Verkenning SER Persoonlijk Pensioenvermogen

    De SER heeft de variant persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling nader onderzocht en uitgewerkt en vindt deze nog steeds interessant. Met deze – technische – verkenning wil de SER een vervolgbijdrage leveren aan de discussie over de toekomst van het pensioenstelsel dat een goed pensioeninkomen biedt en beter aansluit op de veranderende samenleving.

      Lees meer…………

     

    Afkoop kleine pensioenen op de shop

    Op 14 april jl. heeft Staatssecretaris Klijnsma een beleidsbrief naar de Tweede Kamer gestuurd over waardeoverdracht. Het belangrijkste item in deze brief is dat het afkooprecht van kleine pensioenen gaat verdwijnen en wordt omgezet in een verplichte waardeoverdracht.

      Lees meer…………

     

  • Vaknieuws April 2016

    Wetsvoorstel Verbeterde Premieregeling

    Op 10 maart jl. heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel “verbeterde premieregeling” aangenomen. Dit is een samenvoeging van het initiatief wetsvoorstel van Herma Lodders “uitbetaling pensioen in eenheden” en het regeringswetsvoorstel “variabele pensioenuitkering”. De beoogde ingangsdatum van deze wet is 1 juli 2016 en moet nog door de Eerste Kamer worden goedgekeurd.

      Lees meer…………

     

    Verplichtstelling StiPP

    In de diverse rechtszaken inzake de uitleg van de verplichtstellingsbeschikking van het Pensioenfonds voor Personeelsdiensten  (StiPP) is tot op heden door rechters verschillend geoordeeld over het al dan niet vereist zijn van een zogenaamde allocatiefunctie.

    Met dit laatste wordt dan bedoeld of de betreffende onderneming vraag en aanbod van tijdelijke aard bij elkaar brengt.

      Lees meer…………

     

     

  • Vaknieuws Maart 2016

    Voortgang Algemeen Pensioenfonds

    Vanaf 1 januari 2016 is het mogelijk een algemeen pensioenfonds (APF) op te richten. Een APF is een pensioenfonds dat één of meer pensioenregelingen uitvoert. Per collectiviteitskring houdt het APF een afgescheiden vermogen aan. Een APF kent de stichtingsvorm. Niet alleen bestaande pensioenfondsen kunnen een APF oprichten, maar ook derden zoals verzekeraars of pensioenuitvoeringsorganisaties.

      Lees meer…………

     

     

     

  • Vaknieuws Januari 2016

    Het adviseren van uw DGA kan beginnen!

    De adviesmarkt wacht al geruime tijd op concrete ontwikkelingen in het kader van pensioen in eigen beheer voor de DGA. Gelukkig is er nu eindelijk een goed beeld van de oplossingsrichtingen.

      Lees meer…………

     

    Meer invloed werknemers op pensioenregeling

    Werknemers krijgen via ondernemingsraden (OR) méér invloed op hun pensioenregeling. De OR krijgt namelijk het recht om wel of niet akkoord te gaan met een wijziging van een pensioenregeling.

    deelnemers de keuzemogelijkheden op het gebied van waardeoverdracht.

      Lees meer…………

    Algemeen Pensioenfonds nieuwe wettelijke uitvoerder

    Per 1 januari 2016 wordt het algemeen pensioenfonds geïntroduceerd. Dit fonds maakt een nieuwe bundeling van verschillende pensioenregelingen mogelijk. Hierdoor kunnen allerlei voordelen worden gerealiseerd in het belang van deelnemers, zoals het beperken van bestuurlijke lasten, vermogensbeheer- en uitvoeringskosten.

      Lees meer…………

     

Pensioennieuws

  • 30-08-2017Kleine pensioenen vanaf 2018 bundelen
    Pensioenfondsen en verzekeraars kunnen binnenkort kleine pensioenen bij elkaar optellen in plaats van deze uit te keren. Zo bouwen mensen, vooral tijdelijke krachten, meer op. En houdt het geld zijn pensioenbestemming. Het kabinet stuurde vandaag een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer. Het is de bedoeling dat de nieuwe regels per 1 januari 2018 van kracht gaan.

    Lees verder

  • 04-08-2017Internetconsultatie waardeoverdracht klein pensioen
    Op internet is het ontwerpbesluit gepubliceerd tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in verband met de Wet waardeoverdracht klein pensioen.

    Lees verder

  • 07-07-2017Fusies mogelijk voor bedrijfstakpensioenfondsen
    Het kabinet wil het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen makkelijker maken om te fuseren. Daarom krijgen deze pensioenfondsen de ruimte om hun pensioenvermogen na een fusie tijdelijk gescheiden te houden. Dat mag nu nog niet. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Lees verder

  • 12-05-2017Oplossing voor mensen met klein pensioen
    In plaats van mensen te verplichten om tussentijds kleine pensioenbedragen op te nemen, gaan pensioenfondsen en verzekeraars deze kleine pensioenen samenvoegen. Door deze te bundelen, krijgen die kleine pensioenen een echte pensioenbestemming. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Lees verder

  • 30-01-2017Verhogen rekenrente leidt tot generatie-effecten
    Het verhogen van de huidige rekenrente leidt tot generatie-effecten en zorgt niet dat de financiële positie van pensioenfondsen verbetert. Dat blijkt uit een doorrekening die het Centraal Planbureau op verzoek van staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gemaakt. Het kabinet vindt dat jong én oud op een goed pensioen moeten kunnen rekenen en vindt het verhogen van de rekenrente dan ook niet wenselijk.

    Lees verder

  • 27-01-2017Nauwelijks pensioenkortingen in 2017 dus geen wijziging hersteltermijn
    Het overgrote deel van de pensioenfondsen hoeft dit jaar geen kortingen door te voeren. Daarom wijzigt het kabinet de wettelijke hersteltermijnen voor pensioenfondsen niet.

    Lees verder

  • 02-12-2016Pensioenknip half jaar langer mogelijk
    Mensen met een pensioen in de vorm van een premie- of kapitaalregeling  kunnen nog tot 1 juli 2017 een tijdelijke uitkering voor maximaal twee jaar aankopen. De regeling Pensioenknip wordt door staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een half jaar verlengd.

    Lees verder

  • 25-11-2016Kabinet neemt compenserende maatregelen vanwege verhoging pensioenpremie
    De ministerraad heeft besloten in 2017 extra middelen beschikbaar te stellen voor de arbeidsvoorwaarden bij onderwijs- en kabinetswerkgevers. Aanleiding is de gisteren door het ABP vastgestelde verhoging van de pensioenpremie volgend jaar.

    Lees verder

  • 14-10-2016Nieuwe regels voor aparte indexatiedepots voor pensioenfondsen
    Pensioenfondsen mogen aparte potjes aanhouden, onder andere voor indexatie van pensioenen. Sinds de invoering van de nieuwe financiële toezichtregels voor pensioenen vanaf 1 januari 2015 mogen fondsen niet meer indexeren dan hun financiële positie toelaat. Dat geldt normaal gesproken ook bij de inzet van depots. Om bepaalde arbeidsvoorwaardelijke afspraken over een wijziging van de pensioenregeling te vergemakkelijken, wordt nu onder strikte voorwaarden toegestaan dat fondsen tijdelijk extra indexatie uit een depot mogen verlenen.

    Lees verder

  • 11-10-2016Hoofdlijnennotitie Kennisvragen 2017/2018
    Vandaag presenteert het ministerie SZW zijn nieuwe onderzoeksagenda: de Hoofdlijnennotitie Kennisvragen 2017/2018. De Hoofdlijnennotitie bevat 75 kennisvragen en laat op een overzichtelijke manier zien op welke onderwerpen SZW zich de komende jaren zal gaan focussen. Veel van de vragen zullen door of in samenwerking met externe kennispartners uitgewerkt gaan worden.

    Lees verder